Gedrag: beschrijf wat je zag of hoorde
Begin met één afgebakende, waarneembare gebeurtenis. Noem tijd, plaats of woorden als dat helpt. ‘Je kwam om 09.15 uur binnen terwijl we om 09.00 uur begonnen’ is concreter dan ‘je bent altijd te laat’. Vermijd aannames over intenties, karakter of motivatie.
Gevoel: spreek vanuit jezelf
Vertel welk gevoel het gedrag bij jou oproept, bijvoorbeeld onrust, teleurstelling of frustratie. Een ik-zin maakt duidelijk dat je jouw ervaring deelt. Zeg niet dat de ander jou iets laat voelen of dat iedereen er zo over denkt.
Gevolg: maak het effect zichtbaar
Benoem één merkbaar effect op het werk, de samenwerking, jou of de klant. Houd het logisch verbonden met de observatie. Daardoor wordt duidelijk waarom je het onderwerp aansnijdt, zonder te dreigen of alle eerdere voorvallen erbij te halen.
Gewenst gedrag: richt je op de volgende keer
Zeg welk concreet gedrag je graag wél ziet en nodig de ander uit om mee te denken. Een wens als ‘laat het vooraf weten als je later bent’ is uitvoerbaar. Vraag vervolgens wat er speelt en welke afspraak voor jullie allebei werkbaar is.